Sur la thématique des OGM, David Sanchez nous racontera les procédures d’évaluation d’introdcution des OGM et les problèmes que cela pose, particulièrement dans le cas des pommes de terre (en anglais).

GL_FLM280513_013[English] We are normally told that GMOs are the safest food ever getting into the market. That they are the most tested, the most controlled… But when we have a closer look to the way GMO risk assessment is performed in Europe, we realize we cannot be so sure.

Risk assessment in the European Union is based on industry research, not on independent data. Data that are kept in secret. We could say that it is a policy of « don’t look, don’t find », with 90 day toxicity tests where two year long studies show problems, and many environmental and health impacts not included in the assessment. The whole system is based on a paradign know as « comparative assessment » or « Substantial equivalence », set up by industry back in the 90’s and that assumes that a GM plant is basically similar to its conventional counterpart.

The agency in charge of GMOs risk assessment is the European Food Safety Agency (EFSA). An agency under fire because of its reported problems of conflict of interest and revolving door cases, with, for example, members of the EFSA GMO pannel moving to work for Syngenta without even a cool-off period. Another big flaw of the way GMO risks are assessed in Europe is that social and economic impacts are not taken into account. So the problems GM growing countries are facing, such as the decline of organic farming because of genetic contamination, farmers loosing markets, the extra costs of keeping the food suply GM-free, the impossibility of finding GM-free feed… All these consequences of the introduction of GMOs are not taken into account.

The debate on GMOs is based in science, but not everything is about science. When assessing a new technology, citizen’s have the right to decide if we need it or not. If this new technology is going to provide any benefits for society or just for corporations. Not only for GMOs, but also for new challenges such as nanotechnology or synthetic biology.

Pieter Van Den Broek, chercheur à KUL, nous explique la situation de la privatisation des universités… et comme cette experimentation fait partie d’un stratégie de développement Flamand (en flamand).

[NL] Barbara Van Dyck maakte sinds begin 2010 deel uit van onze onderzoeksgroep, en maakte haar PhD in een project sinds 2005 waarin onze groep ook betrokken was. Als postdoc had zij een belangrijke rol in het lopend project (2010 – 2013).

Onze onderzoeksgroep werkt binnen de faculteit Ingenieurswetenschappen, maar houdt zich eigenlijk bezig met kritische sociale wetenschap, in het bijzonder hoe ruimtelijke verandering gebeurt en wie daarvan al dan niet de voordelen geniet. Dat maakt dat een aantal van de thema’s die door de FLM en dit proces aan de orde komen (de sociale constructie van technologie, de sociale constructie van kennis, kritische wetenschap, activisme, geweld en sociale verandering, …) voor onze groep niet onbekend zijn. Barbara’s ontslag maakten een aantal dingen echter nog scherper. Ik noem er enkele op.

1. Meer nog dan de gentechnologie op zich, beklemtoont FLM de dominantie van multinationale ondernemingen over de voedselketen, via patenten, monopolisering van zadenproductie, gekoppelde verkoop, het extreem hoog technologisch gehalte genetische manipulatie. Om dit onder de aandacht te brengen, moet je een breed sociaal-wetenschappelijk inzicht mobiliseren, moet je aantonen hoe dat werkt, moet je netwerken analyseren, machtsverhoudingen blootleggen en in vraag stellen, achterliggende socio-politieke mechanismen in al hun complexiteit analyseren. Wij weten uit ervaring dat dit soort onderzoek zeldzaam is. Er wordt zelden om gevraagd of het beland in de kast. Weinig onderzoeksgroepen houden er zich mee bezig. Het gaat behalve om ons groepje (tien tot vijftien personen), om kleine afdelingen in geografie, klein beetje van de sociologen, een paar bio-ingenieurs enz. Ook binnen ILVO zelf is er een kleine groep, en binnen VITO, enz.

Het is ook heel moeilijk om dat uit te leggen. Zelf de rector van de KU Leuven (zie debat met Erik Swyngedouw) weet niet waarover het gaat. Hij vereenzelvigt sociaal-wetenschappelijk onderzoek bijvoorbeeld met kwantitatieve sociologie, wat iets heel anders is.

zie ook: ‘onderzoek naar resistentie van aardappelen tegen de aardappelziekte, maar men heeft nog geen diepgaand onderzoek gedaan naar de voedingswaarde, de allergeniciteit, de milieu-effecten en andere onbedoelde effecten van genetische manipulatie’

Vele van deze dingen komen neer op een totale onbekendheid van onze samenleving met sociale constructie, met breed, holistisch sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Zelfs in het debat tussen voor- en tegenstanders van kernenergie (waar je zou verwachten dat alle argumenten al zijn uitgespit) zijn argumenten over hoe kernenergie maatschappelijk is ingebed, zeldzaam.

2. Het dominante model van onderzoek is gebaseerd op een veeleer lineair en vereenvoudigd begrip van hoe de samenleving werkt en vooral zou moeten werken: de economie, de kwantitatieve sociologie, de bestuurskunde, de genetica, farmaceutisch onderzoek, …. Zij doen alsof ons handelen alleen door onszelf wordt bepaald, of alsof de maatschappij hetzelfde werkt voor iedereen. Dat komt erop neer dat het dominant natuurwetenschappelijk en sociaal-wetenschappelijk onderzoek de bestaande maatschappij niet in vraag stelt. De economie modelleert maar stelt het functioneren van ons economisch systeem niet in vraag. De dominante sociologie kwantificeert maar verklaart weinig. Wij zien als kleine onderzoeksgroep hoe grote departementen farma, biomedische, biotech, ICT, economie, … met onderzoek dat gericht is op economische ontwikkeling volgens het dominant groeimodel, over veel grotere budgetten beschikken.

3. Met de ondersteuning van bepaalde departementen, onderzoeksgroepen en onderzoekstopics maakt de maatschappij belangrijke keuzes. Onderzoekstopics, onderzoeksvragen, ondezoeksmethodes zijn uitermate socio-politiek geladen, zijn waardengeladen. En daar hebben economen, computerwetenschappers, genetici, biomedici enz. geen flauw benul van. Zij doen juist hun best om waarden uit te sluiten. Maar kan het maatschappelijk belang niet overschatten van de keuze van wat men onderzoekt, wat mag onderzocht worden, welke onderzoeksvragen worden gesteund en welke niet. Kijk bijvoorbeeld naar hoe onderzoek naar fietsen eindelijk plots een grote sprong mogelijk maakt in de fietstechnologie, of hoe wel onderzoek wordt gesteund naar ggo’s maar niet naar agro-ecologie; hoe onderzoek naar aardolie en naar hernieuwbare energie in verschillende mate worden gefinancierd. Wij zien dat onderzoek naar allerlei vermarktbare technologie wel wordt gesteund maar naar samenlevingsvormen, omgaan met conflicten, sociale innovatie, de mechanismen van het agro-industrieel complex en de marginalisering van landbouwers enz. veel minder.

Hieruit volgt dat ook het zogezegde onafhankelijk onderzoek een sociaal-politieke keuze in zich draagt. Er is dus altijd afhankelijkheid, ook in de zogezegde onafhankelijkheid. Elke vorm van kennis is sociaal geconstrueerd, dwz is maatschappelijk ingebed en geeft dus vorm aan de mechanismen van dominantie en onderschikking in die maatschappij. We moeten ons dus altijd afvragen welke waarden ingebed worden in onderzoek waarvoor de maatschappij kiest om het te ondersteunen: wie heeft baat bij dit onderzoek, is dus de te beantwoorden vraag.

4. Dat brengt ons bij de relaties tussen praktijk en onderzoek en verschillende onderwerpen die daarmee samenhangen.

Ons type van breed sociaal-wetenschappelijk onderzoek (waar ook FLM om vraagt) omvat ook vormen van actie-onderzoek en van samenwerking met de maatschappij. Bij ons, houdt dat het geleidelijk opbouwen van een gedeelde probleemstelling in, waarbij verschillende soorten onderzoekers en verschillende soorten maatschappelijke actoren een dialoog aangaan, en waarbij de emancipatie van zwakkere actoren een aandachtspunt is. In ons onderzoek houdt dat een praktijkgerichtheid in die ons belet van zweverig, louter theoretisch te worden. Het betekent dat het onderzoek maatschappelijk wordt ingebed, dat deze inbedding breed wordt gezien, dat dus ook de tegenstem wordt betrokken, en dat het onderzoek zich inschrijft in/ingaat op de complexiteit van het bestaan. Barbara was in haar vrije tijd bezig met onderzoek naar voedselsystemen e.d. en volgde dus wat daar gebeurde door deel te nemen aan zadenuitwisseling, collective gardening, activisme enz.

Er is een groot verschil met het economie-gestuurd onderzoek dat meer en meer dominant wordt, in het bijzonder als het voedselproductie en gentechnologie betreft.In de dominante stroom zien wij een heel andere vorm van afhankelijkheid tussen onderzoek en praktijk ontstaan, die van contractonderzoek, privatisering, en beleidsgericht onderzoek. Daar hangt ook een nadruk op ‘valorisatie’ mee samen. In het geprivatiseerd onderzoek, betekent dat een focus op vermarktbaar, spin-off georiënteerd onderzoek. Het zou goed zijn wat cijfermateriaal te verzamelen over de verdeling van de geldstromen die hiermee samenhangen, maar dat is helaas niet evident.

Hier hangt ook definities van soorten onderzoek mee samen. Zie fundamenteel versus toegepast. Deze definiëring verbloemt dat elk onderzoek waardengeladen is. Zie hoger. Zie ook de tekst van Stengers over slow science.

5.Met het voorgaande hangt ook de toenemende angelsaksische kwantificering van de impact van onderzoek en de koppeling ervan aan financiering samen. De dominantie van het economisch gericht onderzoek leidt tot publicatiedruk en ‘fast science’. Stengers geeft aan dat dit eigenlijk al zijn oorsprong vindt in het begin van de 19de eeuw. Zie Swyngedouw: Amerikaanser dan Amerika. Zie ook de recente schandalen in de wetenschappelijke wereld over plagiaat, gegevensvervalsing enz.

6. Tot slot een bijkomende nuancering over de zogezegde onafhankelijkheid van onderzoek. Na het ontslag van Barbara kwam onze onderzoeksgroep terecht op een tussen solidariteit en de mogelijkheden tot sturing/druk die de KU Leuven heeft. De hogere regionen in de universiteit hebben wel degelijk invloed op welke onderzoeksaanvragen al dan niet worden gesteund. Wat werd in de maanden na het ontslag heel direct voelbaar: in een mail van de rector, in de goedkeuringsprocedures omtrent een onderzoeksaanvraag binnen de universiteit, in proffen die op het matje worden geroepen bij rector, vice-rectoren enz. Ook in bevorderingen is dat bijvoorbeeld zichtbaar. Noch de departementsvoorzitter noch ons afdelingshoofd waren overigens op de hoogte van het ontslag. Zie ook het ontslag van Sara Bracke.

 GL_FLM280513_017Nicole Van Bael de Vredesactie nous explique pourquoi et comment cette action, de libérer le champ fait partie d’une démacratie “saine” (en flamand).

 [NL] De actie van het FLM werd door verschillende opiniemakers, wetenschappers en politici voorgesteld als een gewelddadige aanslag op de wetenschap. Vredesactie vindt dat het hier om een legitieme actie van burgerlijke ongehoorzaamheid gaat. Sterker nog: Onze democratie is er gekomen dankzij intense sociale actie. Ze heeft sociale actie nodig om haar levend te houden en te verbeteren.

Burgerlijk ongehoorzaam

Met een actie van burgerlijke ongehoorzaamheid probeer je een misdrijf, onrecht of probleem aan de kaak te stellen. Je probeert om een dialoog af te dwingen, een status quo te doorbreken, als een niet te negeren stem in het debat. Met je actie betwist je de legitimiteit, en eventueel de legaliteit, van datgene waartegen je actie voert. En je bent bereid daarvoor vervolging te riskeren.

Daarmee plaats je je tegenstander en de overheid voor een dilemma hoe op je actie te reageren en zo dwing je ook om op je inhoudelijke vragen in te gaan.

Een actie van burgerlijke ongehoorzaamheid impliceert dat de actie geweldloos en openlijk verloopt maar dat wil niet zeggen dat er geen sprake is van een duidelijke conflictsituatie. De actie van het FLM had een confronterend opzet en zorgde ervoor dat de organisatoren van de veldproef en de overheid het verzet tegen GGO’s niet zonder meer konden negeren. Het actieopzet was geweldloos: het opentrekken van een hekken of het uittrekken van een aardappelplant is nog geen geweld.

Democratisch

Een democratie impliceert in theorie dat iedereen op gelijke wijze zijn stem in de besluitvorming heeft. Waarom is zoiets als burgerlijke ongehoorzaamheid dan nodig, je kunt toch mee beslissen?

De praktijk is echter anders. Het feit dat we in een rechtstaat leven die democratische grondrechten zoals vrijheid van meningsuiting erkent, wil nog niet zeggen dat daarmee iedere stem even hard doorweegt in de besluitvorming. Sommige stemmen klinken luider dan andere. En heel wat stemmen vormen hoogstens wat achtergrondruis. Zowel de wetgeving als de politieke besluitvorming weerspiegelen machtsverhoudingen, en niet enkel de democratische machtsverhoudingen maar ook de economische. Tegenover de wil van de meerderheid staat vaak ook de wil van het meeste geld of de wil van gevestigde machtsposities.

De toegang tot het politieke debat wordt in praktijk stevig bewaakt, net als de punten die ter discussie kunnen staan. Andere stemmen, die buiten de marges van het politiek aanvaarde debat kleuren, komen moeilijk aan bod. Eventueel worden ze in overlegorganen gekanaliseerd, waarbinnen ze kunnen uitrazen en vervolgens vaak genegeerd worden.

Dit maakt dat conflict eigen is aan democratie. Door geweldloos actie te voeren kan wie niet gehoord wordt, proberen zijn stem te veroveren. De ruimte daarvoor wordt ook in een democratie zelden cadeau gedaan. Tussen een mening laten horen en een stem hebben die gehoord wordt, staan vaak wetten en praktische bezwaren.

Burgerlijke ongehoorzaamheid is daarom in een democratie op zijn plaats en zorgt ervoor dat de tegenstemmen niet zomaar genegeerd kunnen worden.